Bruinhorst Ederveen

Kasteeltje Bruinhorst, architectuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek rijksmonument Luntersekade Ederveen

Kasteeltje Bruinhorst

Luntersekade 1 Ederveen

Rijksmonument

 

Opdrachtgever

Particulier

 

Uitvoering

Architectuurhistorisch onderzoek

Aanbevelingen reconstructie interieur

Onderbouwing reconstructie interieur

Tuinhistorisch onderzoek

2011

 

Architect

Friso Woudstra Architecten


Aan de Luntersekade, aan de noordelijke rand van Ederveen, ligt kasteeltje Bruinhorst. Dit in 1879 gebouwde complex omvat een hoofdhuis met groot bijgebouw, gelegen is een parktuin. Bruinhorst is een gemeentelijk monument. In de loop der jaren is de oorspronkelijk ruim één kilometer lange tuin grotendeels afgestoten. Het gedeelte dat nu nog resteert, heeft omstreeks 1966 haar huidige omvang en verschijningsvorm gekregen. Ook het huis is destijds, na onder andere lange tijd als onderkomen voor repatriërende KNIL- militairen te hebben gediend, flink onder handen genomen. De huidige eigenaar heeft Bruinhorst in 2009 aangekocht en wenst deze in oude luister te herstellen, waarbij zo optimaal mogelijk wordt uitgegaan van de kwaliteiten die nog aanwezig zijn en van historische (typologische en cultuurhistorische) waarden.  

 

Architectuurhistorisch onderzoek, aanbevelingen en onderbouwing

Op het moment dat Res nova bij het restauratie- en renovatieproject werd betrokken, was er al een bouwhistorisch onderzoek voor handen. In dit onderzoek was met name aandacht besteed aan het analyseren en omschrijven van de ten tijde van de opname aangetroffen situatie en werd aan de hand van aanwezige bouwtekeningen de ontwikkelingsgeschiedenis van het Bruinhorst geschetst. Het architectuurhistorisch onderzoek ontbrak hierbij. Hoewel het exterieur vandaag de dag nog in hoofdlijnen representatief is voor de negentiende-eeuwse verschijningsvorm, is van het oorspronkelijke interieur weinig tot niets behouden. Aangezien het de wens was van de opdrachtgevers om bij de herindeling en herinrichting van Bruinhorst de beleving van het negentiende-eeuwse interieur als uitgangspunt te nemen, is inspiratiedocument opgesteld, waarin de verschillende karakteristieke aspecten van het woonhuis uit de periode van de bouw van Bruinhorst worden uitgediept.

 

Aan de hand van bronnenonderzoek, waarbij met name aandacht is besteed aan (historisch) beeldmateriaal van laat-negentiende-eeuwse interieurs, is een beeld geschetst van de wijze waarop het interieur van Bruinhorst in haar gloriedagen zou zijn uitgemonsterd. Hierbij speelde de ‘karakterleer’ een belangrijke rol. Deze leer was toonaangevend bij het inrichten van luxe interieurs in met name het laatste kwart van de negentiende eeuw. Bij de karakterleer speelt de functie van het vertrek een belangrijke rol bij de aankleding. Salons en tuinkamers waren vaak in een lichte neoclassicistische stijl uitgewerkt. Stucwerk was door het gebruik van florale motieven vaak frivool. De hal is de eerste indruk die bezoekers van een woning kregen en moet daarom imponeren. Centrale hallen kenden daarom meestal een ietwat zwaardere afwerking, waarbij sprake is van rijker aangezet stucwerk. Bij woonvertrekken is de uitvoering vrijwel altijd in een neoclassicistische stijl met lage lambriseringen en zachte kleuren opgezet. Stucwerkplafonds bestonden vaak uit lijstwerk met centrale ornamenten, voorzien van een delicate detaillering. Eetvertrekken en andere meer private kamers als rookkamers, kenmerkten zich daarentegen vaak door meer houtwerk (hogere lambriseringen) en zwaarder aangezette plafonds (stucwerk vaak uitgevoerd als lijstwerk en blinde vlakverdelingen tussen de binnenste en buitenste lijst). Kleurstellingen in deze kamers waren wat donkerder, waardoor een meer intieme sfeer ontstond. Bij deze historische interieurs was eenheid in stijl dus ondergeschikt. In het verlengde van de laat-negentiende-eeuwse architectuur, waarbij op een soortgelijke wijze per type gebouw werd gezocht naar een (neo)stijl die ‘passend’ was bij de functie van het gebouw, werd dus ook in het interieur per vertrek een passende aankleding gezocht.

 

Op basis van de in het inspiratiedocument omschreven karakterleer is een reeks aanbevelingen opgesteld op basis waarvan de architect, Friso Woudstra architecten haar plannen voor De Bruinhorst heeft opgesteld. Hoewel de indeling van het huis niet volledig wordt teruggebracht tot de oorspronkelijke situatie (deze was al grotendeels gedurende eerder bouwactiviteiten verdwenen), wordt in het ontwerp wel een ambiance neergezet die passend is bij de grandeur van het gebouw. De aanwezige achtzijdige salon zal hierbij, evenals in de gloriedagen van Bruinhorst, weer als spil van het huis gaan dienen. De werkzaamheden aan het exterieur zijn tot een minimum beperkt. De grootste ingreep zal het nieuwe terras zijn dat tegen de zuidelijke gevel (de Schauseite) wordt geplaatst. Het grote in 1966 geplaatste terras wordt vervangen door een kleiner exemplaar dat de contouren van de gevel volgt en in verschijningsvorm is geïnspireerd op de situatie zoals deze zichtbaar is op oude foto’s. Door dit nieuwe terras wordt de geleidelijke overgang van huis naar tuin versterkt: huis-salon-terras-tuin.

 

Tuinhistorisch onderzoek

De plaatselijke monumentencommissie wenste niet alleen inzicht te krijgen in de plannen die voor de bebouwing van De Bruinhorst werden opgesteld, maar wilde vanwege de ensemblewaarde van bebouwing en tuin, ook al in een vroeg stadium inzicht krijgen in de plannen die de eigenaar eventueel voor de tuin voor ogen hadden. In dit kader is een cultuur- en tuinhistorische rapportage opgesteld. Dit onderzoek had als doel inzicht te geven in de ontwikkelingsgeschiedenis van de locatie Bruinhorst. De basis voor de analyse werd gevormd door de aanwezige cartografische bronnen en de ruim voorhanden zijnde historische foto’s, waarop de oorspronkelijke tuinopzet rondom het huis duidelijk zichtbaar was.

 

De huidige omvang van de tuin van Bruinhorst omvat een reeds op de kadastrale minuutkaart uit circa 1832 zicht­baar, omgracht terrein en een in het verlengde hiervan gelegen perceel aan de Luntersekade. Waarom de opdrachtgeefster van het landgoedje, mevrouw Fisler-Reiger, juist deze plek had uitgekozen als locatie voor een nieuw landgoed, is onduidelijk. Ederveen is gelegen in de Gelderse Vallei, een relatief laaggelegen veen- en broekgebied tussen de Utrechtse Heuvelrug in het westen en de Veluwe in het oosten. Het overgrote deel van de landgoederen ligt in of aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug of in of aan de rand van de Veluwe. In de Gelderse Vallei wor­den in de negentiende eeuw echter nauwelijks landgoederen aangelegd. Niettemin liet ze hier bij haar nieuw opgerichte huis een parktuin aanleggen die ruim een kilometer in lengte was. Deze oorspronkelijke in landschappelijke stijl uitgevoerde parktuin is zichtbaar op laat-negentiende-eeuws en vroeg-twintigste-eeuws kaartmateriaal. Vanaf de jaren dertig begint het goed in omvang af te nemen. In verschillende stadia worden delen van de tuin afgestoten. In de jaren vijftig is, ten tijde van de functie van Bruinhorst als onderkomen van KNIL-militairen nagenoeg alle negentiende-eeuwse aanplant gerooid. De Bruinhorst lag lange tijd in een nagenoeg kale omgeving.

 

In 1966 werd de tuin opnieuw aangelegd. De gracht werd behouden, maar werd tot aan de Luntersekade naar het zuiden toe doorgetrokken. Hierbij werd ter plekke van de oorspronkelijke zuidelijke tak een nieuwe vijver aangelegd. Tijdens deze werkzaamheden is ook de oriëntatie van de oprijlaan gewijzigd, waardoor de karakteristieke (door begroeiing begeleide) rechte zichtas vanaf de straat op de Schauseite van het kasteeltje, verdween.