Den Dam

landhuis Den Dam, Eefde, cultuur- en bouwhistorisch onderzoek

Den Dam

Damlaan 6 Eefde

Rijksmonument

 

Opdrachtgever

Particulier

 

Uitvoering

Cultuur- en bouwhistorisch onderzoek

2013

 

Architect

I_KB Architecten


De opdrachtgever heeft Res nova Monumenten gevraagd een bouwhistorische verkenning uit te voeren naar Huize den Dam, Damlaan 6 te Eefde. De opdrachtgevers wensen het pand te herbestemmen tot een vijftal appartementen. Deze splitsing is noodzakelijk om het bezit van Huize den Dam (als Particuliere Historische Buitenplaats) als geheel voor de toekomst te behouden. Vanwege de lange familiale verbondenheid aan de woning hechten de opdrachtgevers niet alleen waarde aan behoud van het bezit als één geheel, maar willen zij ook dat de herbestemming met respect voor en vanuit de bouwhistorische gegevenheden vorm wordt gegeven. Het doel van het bouwhistorisch onderzoek met waardenstelling is om inzicht te krijgen in de bouw- en ontstaansgeschiedenis van Huize den Dam. Het onderzoek beperkt zich tot het hoofdhuis. De resultaten van het onderzoek dienen als uitgangspunt en toetsingskader voor de plannen die worden opgesteld.

 

In het kort

Den Dam is karakteristiek voor de negentiende eeuw. Het pand toont een sober neoclassicistisch aanzien. De gevels zijn afgewerkt met een pleisterlaag, waarbij decoratieve elementen zijn beperkt tot het accentueren van de constructie (cordonlijsten, kroonlijst, deuromlijsting, et cetera). De voorgevel wordt gekenmerkt door een strak symmetrisch aanzicht, waarbij de centrale entree wordt geaccentueerd door het gebruik van lijstwerk rondom de daar aanwezige deur en het venster. De aanbouwen tegen de achtergevel zijn tot stand gekomen om meer contact met de naastgelegen tuin te krijgen, zowel op de begane grond als vanaf de verdieping. Tegen de achtergevel staat een aantal ‘functionele’ aanbouwen, waarbij oudere onderdelen werden samengevoegd onder één dak. Het interieur is representatief voor het midden van de negentiende eeuw. In de loop der jaren heeft slechts een beperkt aantal wijzigingen plaatsgevonden. Zowel wat betreft plattegrond als inrichting is het interieur over het algemeen gaaf behouden.

 

Middeleeuwse kelder: relict van een woontoren

Het huidige huis Den Dam is gedeeltelijk onderkelderd. De kelder, met een binnenmaat van circa 5,5 bij 6,5 meter, is voorzien van een viertal zware kruisgewelven. Gelet op de maatvoering van deze kelder en de opzet van de gotische kruisgewelven, lijken we hier te maken hebben met de middeleeuwse kelder van de oorspronkelijke versterking, waarvan in 1399 melding wordt gemaakt. Dergelijke vroege versterkte huizen werden woontorens genoemd.

 

Steenen huys

In de voorgevel van Den Dam bevinden zich, links van de stoep twee zandstenen gevelstenen met de familiewapens en namen van Van der Capelen en Ripperda. Beide stenen dragen het jaartal ‘anno 1599’.  Vermoedelijk werd in dit jaartal de oorspronkelijke woontoren vervangen of verbouwd tot een nieuwe residentie. Van de zestiende-eeuwse havezate is een tekening bewaard gebleven. Den Dam is in 1743 vereeuwigd in een prent van Jan de Beyer. Op deze prent is een rechthoekige huis zichtbaar met aan de oostzijde een forse steekkap met rijk geornamenteerde gevel (Gelderse gevel). De topgevels van het hoofdvolume zijn uitgevoerd als trapgevels. Tegen de westelijke gevel staan twee kleine gebouwtjes. Tegen de oostelijke gevel staat een houten volume onder lessenaardak.  Het pand is in architectuurvormgeving op en top Hollandse renaissance.

 

Hollands classicisme

Alexander Hendrik van de Capellen laat het Hollandse renaissancehuis uit 1599 in 1765 drastisch wijzigen. In het Gelders Archief bevindt zich een beschrijving van deze verbouwing. Er staat vermeld dat de vier spitsen van de gevel worden weggehakt. Het is onduidelijk of dit betrekking heeft op vier spitsen van één gevel, of dat vier gevelspitsen worden verwijderd. Hoewel het niet met zekerheid is vast te stellen hoe Den Dam er na 1765 heeft uitgezien, is het zeer waarschijnlijk dat het in de trant van de Hollands classicistische Vingboonsarchitectuur is uitgevoerd. Het pand zal destijds nog niet zijn gepleisterd. De opzet van de huidige grote regelmatige vensters, dateert uit deze periode. De entree zal middels een timpaan, ronde boog of andersoortige bekroning zijn afgesloten. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake was van een uitkragend middenrisaliet. Wel zien we een accentuering van de centrale as door middel van een aan weerszijde geplaatste smalle vensteras. Den Dam bestaat dan uit een eenvoudig rechthoekig huis, met aan de achterzijde een eenlaags aanbouw. De plattegrond van de begane grond (hoofdvolume en keuken) en verdieping (alleen hoofdvolume) wordt dan grotendeels gerealiseerd.

 

Henriette Constance van der Capellen wijzigt in de periode van 1807 tot 1844 geleidelijk de parkaanleg in landschappelijke stijl, waarbij de formele aanleg deels gehandhaafd blijft. In de omgeving van het omgrachte huis vinden de grote veranderingen plaats. Er worden wandelpaden aangelegd die begeleid worden door (laan)bomen met afwisselende zichten op het huis, weilanden, akkers, solitaire bomen en boomgroepen, meanderende beek en de boerderij. De formele zichtlaan aan de voorzijde van het huis heeft plaatsgemaakt voor een zicht op het kleinschalige landschap met bomengroepen, kniphagen en meanderende beek. Ook de tuin op het huiseiland werd aangepast in landschappelijke stijl: een rond gazon met omzoomend pad werd versierd met lage haagjes met in het midden een bloemenperk met één-jarigen.

 

Neoclassicistisch aanzicht

In een beschrijving van de werkzaamheden uit 1875 staat beschreven dat het huis opnieuw wordt gestucadoord. In de vorige paragraaf is aan bod gekomen dat de achttiende-eeuwse huizen altijd werden gekenmerkt door schoon metselwerk. Dit betekent dat het pleisteren van de gevel in de tussenperiode is gerealiseerd.Dit sluit ook aan bij de tendens die vanaf circa 1800 in Nederland (en de rest van Europa) voelbaar is. Met de ontdekking van de Romeinse steden Pompeii (1748) en Herculaneum (1738), ontstond een hernieuwde interesse in de klassieke wereld. Dit uitte zich zowel in de tuin- als woonhuisarchitectuur. Bij de aanleg van de vroege landschappelijke tuinen, probeerde de architecten een beroep te doen op de verbeeldingskracht van de bezoeker die tijdens zijn rondgang door de tuin door het aanschouwen van de zichten werd herinnerd aan een Arcadisch landschap. In de Oudheid zag men dit landschap als het perfecte decor voor de ideale samenleving. In de achttiende en negentiende eeuw hoopte men door het realiseren van dit ideaalbeeld een omgeving te scheppen, die de wandelaar tot morele verheffing zou opwekken. Architectuur speelde een belangrijke rol in dit Arcadische landschap. Door het bouwen van klassieke tempels en ruïnes (follies) in de tuin, werd verwezen naar dit ideale Arcadië. Ook de bouw van neoclassicistische huizen, en het wit pleisteren van bestaande huizen sluit aan bij deze ontwikkeling. Het neoclassicisme was een reactie op de overdadige architectuur van de rococo en greep terug naar de edele eenvoud van de klassieke (en dan met name Griekse) architectuur. Deze ‘verheven’ eenvoud van de bouwkunst werd gezien als een uitdrukking van deugdzaamheid. De neoclassicistische architectuur was een manier om zich te profileren en hun hoog­staande moraal (en ‘smaak’) te benadrukken.

 

Verbouwing in 1875: aanpassing van het interieur

Op last van Mr. Willem baron van Goltstein, wordt in 1875 een volgende grootschalige verbouwing uitgevoerd. Voor zover bekend, wordt in de beschrijving alleen vermeld dat er op de eenlaags keukenuitbouw een verdieping werd gebouwd, met daarboven op de nieuwe zolder een meidenkamer met twee bedsteden werd gerealiseerd. Bovendien wordt vermeld dat de gevel opnieuw wordt gewit. Over verdere aanpassingen aan het interieur wordt niet gesproken. Het ligt echter zeer voor de hand dat het gehele interieur destijds een nieuw aanzicht krijgt. Het drukke achttiende-eeuwse interieur maakt plaats voor een eenvoudiger interieur, conform de stijlkenmerken van het neoclassicisme (late variant). Het meest representatief voor dit laat negentiende–eeuwse interieur is het plafond in de kamer boven de entree, waarbij een centraal ornament wordt omringd door twee cartouchelijsten. Ook de deuren, vloer, trap en wandbetimmeringen (lambriseringen, binnenluiken en borstweringen) dateren uit deze bouwfase. Dat het interieur destijds is gewijzigd, blijkt onder andere uit het gegeven dat de deuren en kozijnen in de in 1875 gebouwde verdieping op de uitbouw identiek zijn aan de overige deuren en kozijnen op de verdieping en begane grond.  Vermoedelijk zijn destijds ook de ramen vervangen door de huidige exemplaren en zijn de persiennes aangebracht. De huidige raamopzet is al op de oude foto’s van omstreeks 1920 zichtbaar. Op deze foto’s zien we dat bij de dakkapel en het venster boven de entree ook persiennes zaten.

 

Interbellum

In 1938 wordt tegen de oostelijke zijgevel een studeerkamer gebouwd. Deze bakstenen inbouw is in architectuur gelijk aan het hoofdhuis. Het vervangt een serre die in 1924 tegen de zijgevel was opgetrokken.