Kasteel Wolfrath

Kasteel Wolfrath cultuurhistorisch bouwhistorisch onderzoek restauratie rijksmonument, zeventiende-eeuws figuratief stucwerk

Kasteel Wolfrath

Wolfrath 1-3 Holtum

Rijksmonument

 

Opdrachtgever

Particulier

 

Uitvoering

Cultuur-, bouw- en kunsthistorisch onderzoek

2006


 Aanleiding tot een onderzoek naar kasteel Wolfrath, Wolfrath 1-3 te Holtum, is de wens van de eigenaar om inzicht te krijgen in de cultuur-, kunst- en bouwhistorische waarden van het complex. De resultaten zullen samen met een gebrekenplan de basis gaan vormen voor een meerjarenplan, waarin het onderhoud van de gebouwen en het omliggende landschap voor de komende jaren aan de orde wordt gesteld. Verder is het van belang om met het oog op de toekomst een beeld te krijgen van de gebreken van het complex.

 

Zie ook de projectpaginas:

-kasteelhoeve Wolfrath

-park en landschap Wolfrath

 

Ontwikkeling

Gedurende het onderzoek is de ontwikkelingsgeschiedenis van het complex aan het licht gekomen. Deze ontwikkeling volgt de algehele karakteristiek van de kastelenbouw in Limburg.

  • In de veertiende eeuw wordt gesproken over een hoeve of hof. Gezien de ligging op de rand van de natte Holtummerheide (weiland) en het hoger gelegen, drogere Pasveld (landbouw) is de aanwezigheid van een gemengd boerenbedrijf aannemelijk. Er zijn geen sporen van deze hoeve meer aanwezig.
  • 1475-1500: Het eerste versterkte huis bestaat uit een woontoren, een gebouw waarbij defensiviteit en wooncomfort worden gecombineerd. Het defensieve karakter werd bepaald door de aanwezigheid van kleine vensters, kantelen rondom het dak en een toegang op de eerste verdieping. De aanwezigheid van een woontoren is aan de hand van een aantal bouwsporen in het huidige complex te herkennen.
  • 1545-1570: de woontoren wordt uitgebreid tot een edelmanshuis, dat de vijf vensterassen naast de hoektoren omvat. Het nieuwe éénbeukige complex was één van de kenmerkende typen bebouwing in de zestiende eeuw van de locale adel in ons land. De nadruk lag bij deze complexen voornamelijk op de woonfunctie. Vanwege allerlei ontwikkelingen op militair gebied was de verdedigingsfunctie naar de achtergrond geschoven. De grote vensteropeningen bevestigen de residentiële opzet. Dit type kasteel, waarbij de nadruk steeds meer kwam te liggen op het wooncomfort wordt ook wel steenen huys genoemd. Ook van het steenen huys zijn bouwsporen bewaard.
  • In 1627 werd het kasteel verder uitgebreid tot een typerend zeventiende eeuwse residentie: in Maaslandse Renaissancestijl, twee grote hoektorens (waarvan één is behouden), traptoren (tegenwoordig opgenomen in geheel), bouw van een grote kasteelhoeve (1657). Er is sprake van een carrévormige plattegrond, waarbij tegen de hoofdvleugel en de noordelijke vleugel een open galerij onder lessenaarsdak stond. De verdwenen derde en vierde vleugel bestonden vermoedelijk uit galerijen uitgevoerd in haagbeuk (of een soortgelijke struik).
  • In het begin van de negentiende eeuw wordt het kasteel aangepast aan de wensen van de tijd, het creëren van een lusthof in de stijl van het Internationale Neoclassicisme met een romantische tuin: vervangen van de kruiskozijnen door Franse vensters; verbouwen gevel aan de tuinzijde van noordelijk volume om alzo imposante entree te verkrijgen; stucornamentatie in Lodewijk XVI-stijl; afbraak volumes die het idee van de lusthof overbodig maakt (grote schuur hoeve en hoogstwaarschijnlijk derde vleugel kasteel); aanleg van landschapspark en andere landschappelijke elementen.

 

Figuratief stucwerk uit 1627-1634

In kasteel Wolfrath is sprake van bijzonder stucwerk uit zowel de zeventiende als negentiende eeuw. In het ‘rariteitenkabinet’, gelegen aan de grote zaal, bevindt zich stucwerk uit 1627-1634. Het humanistische concept van het kabinet, waarin een totaalbeeld wordt gegeven van de Schepping van God, vormt het kader waarbinnen kasteelheer Philips Hendrik Bentinck middels het stucwerk een contrareformatorische boodschap probeert uit te dragen. Tegenover de visualisatie van de diversiteit van het aardse goed die door de hier aanwezige collectie werd getoond, staan de stucmedaillons met de kerkvaders, de ‘grondleggers’ van de kerk als organisatie. De kerkvaders symboliseren de kerk als enige ‘intermediair’ tussen het aardse en bovenaardse en vormen zo een prominent element in de geloofsovertuiging van de katholieke Bentinck. Het is zeer goed mogelijk dat het plafond op enige wijze was voorzien van religieuze taferelen, uitgevoerd in tweedimensionale (schilderkunst) of driedimensionale (stucwerk) vorm.

 

Drie wanden van het kabinet zijn voorzien van stucreliëfs. In totaal zijn er vier medaillons, met daarin afgebeeld de vier kerkvaders. Ieder medaillon is omringd met bladwerk, grotesken, et cetera, waarbij telkens andere motieven zijn gebruikt. Verder zijn de deur en de nis omkaderd door middel van ranken, bladmotieven en figuren. Bijzonder is het gebruik van echte schelpen in de medaillons.

 

De kwaliteit van het stucwerk in het kabinet is van een uitzonderlijke kwaliteit en is uniek in Nederland. In een periode dat het stucwerk in de Nederlanden zich met name richtte op het verfraaien door middel van decoratieve stucornamenten, ontstaat in Wolfrath dit figuratief schouwspel met een weldoordachte iconografie. Vergelijkingen met bekende voorbeelden tonen aan dat de kwaliteit van het werk zeer hoog is en dat het geen gelijke kent.

 

Het stucwerk getuigt van de verhouding tussen de bouwheer Philips Hendrik Bentinck en het Beierse vorstenhuis Wittelsbach (met name Ferdinand van Beieren, keurvorst en aartsbisschop van Keulen en prinsbisschop van Luik, Munster, Hildesheim en Paderborn). Het rariteitenkabinet kan worden gezien als een kleine kopie van het in het residentieel paleis Wittelsbach te München aanwezige kabinet. Het vertrek wordt hierdoor een belangrijk en bijzonder prestigeobject, waarbij Bentinck zich meet aan zijn heer.

 

Over het stucwerk in het rariteitenkabinet is een artikel verschenen in Vakblad Vitruvius (april 2010). Lees het artikel op

http://www.uitgeverijeducom.nl/vakbladvitruvius/pdfs/Vitruvius.nr.11_april2010.pdf

 

Interieur uit 1803

In 1803 wordt kasteel Wolfrath aanzienlijk verbouwd, zowel exterieur als interieur en tuin. Het interieur is uitgevoerd in het destijds heersende Internationaal Neoclassicisme en is van de hand van de Maastrichtse Matthias Soiron, een architect die werkzaam was in zowel Limburg als België en Duitsland. Tijdens deze verbouwing zijn het stucwerk en de mozaïekvloeren in de centrale hal (na de Tweede Wereldoorlog verdwenen), trappenhal en de toiletten in de centrale hal (waarvan één onlangs is vernieuwd) aangebracht. De eetkamer en torenkamer zijn afgewerkt met decoratief stucwerk op wanden en plafonds, en parketvloeren. Verder zijn ook alle deuren in het hoofdgebouw, inclusief hang- en sluitwerk in 1803 geplaatst. Voor de uitvoering van een tweetal schouwboezems in de torenkamer en de eetzaal heeft Soiron een beroep gedaan op Petrus Nicolaas Gagini. Deze stucwerker, die veel samenwerkte met Soiron, is een vooraanstaand kunstenaar, die zowel in Nederland als België een aantal fraaie werken heeft nagelaten. De scènes worden gevormd door waterlandschappen met op de achtergrond een berglandschap en aan de verre oever van het water bebouwing, bestaande uit Italiaanse architectuur, die op een uiterst verfijnde wijze zijn uitgewerkt. Petrus Gagini mag zich een meester stucwerker uit de laat achttiende / vroeg negentiende eeuw noemen.